Wat maakt dat sommige verbindingen een leven lang meegaan?

Vorige week vierde mijn tante haar 75e verjaardag.

Tijdens het feest gebeurde iets wat me meer raakte dan ik had verwacht.

Samen met een groep vrouwen stond ze te zingen.

Meer dan vijftig jaar geleden kwamen zij als jonge verpleegkundigen vanuit Indonesië naar Nederland om de tekorten in onze ziekenhuizen op te vangen.

Ze begonnen samen aan iets nieuws.
In een ander land.
Ver van huis.

En al die jaren later staan ze er nog steeds.

Niet als oud-collega's.
Maar als vriendinnen.

Dat zette me aan het denken.
Want in organisaties investeren we ontzettend veel in samenwerking.

We organiseren teamdagen en inspiratiesessies.
We schrijven kernwaarden op.
We ontwerpen nieuwe organisatiestructuren.
We zoeken naar manieren om betrokkenheid te vergroten.

Allemaal met de hoop dat mensen zich met elkaar verbinden.
Maar verbondenheid ontstaat zelden omdat we het organiseren.

Ze ontstaat wanneer mensen samen iets meemaken.

Wanneer ze elkaar dragen op moeilijke momenten.
Wanneer successen én teleurstellingen gedeeld worden.
Wanneer iemand er is zonder dat daarom gevraagd hoeft te worden.
Wanneer geven en ontvangen vanzelfsprekend worden.

Misschien zijn het uiteindelijk niet de grote momenten die bepalen hoe sterk een relatie wordt.

Maar de honderden kleine momenten waarop mensen ervaren:

"Ik hoef dit niet alleen te doen."

Dat geldt voor vriendschappen.
Voor families.
En misschien wel net zo goed voor teams.

Want de sterkste teams zijn vaak niet de teams met de meeste talenten.
Het zijn de teams waarin mensen weten dat ze op elkaar kunnen bouwen.

Niet omdat dat in een missie of in de kernwaarden staat.
Maar omdat ze het keer op keer hebben ervaren.

Misschien is dat ook waarom het beeld van mijn tante en haar vriendinnen me zo raakte.

Ze lieten zien dat echte verbondenheid niet ontstaat doordat mensen lang bij elkaar zijn.
Ze ontstaat doordat mensen in de loop van de tijd steeds opnieuw voor elkaar kiezen.

En misschien is dat wel de vraag die we onszelf veel vaker zouden mogen stellen.
Niet alleen in ons privéleven.
Maar ook op ons werk.

Wat blijft er over als het werk (allang) voorbij is?

Vorige
Vorige

Een rechte rug

Volgende
Volgende

De vraag die niemand stelde